Biografie Jan Ritskes Kloosterman

Deze tekst is ook beschikbaar in het Fries

Jan Ritskes KloostermanJan Ritskes Kloosterman, geboren in Twijzel 23 februari 1847, overleden in Twijzel op 17 februari 1914, was het enige kind van Ritske Wietzes Kloosterman en Simke Jans Siccama. Zijn moeder  overleed toen hij  ruim een jaar oud was en Jan werd voornamelijk opgevoed door zijn vader, die nooit hertrouwde.

Toen Jan 4 jaar oud was nam zijn vader hem mee naar de roggemolen van Kootstermolen, nabij Twijzel. Jan raakte gefascineerd door het imposante bouwwerk en is dit zijn leven lang in de ban van molens en molentechniek gebleven.  In en rond Twijzel hebben verschillende door hem gebouwde modellen en molentjes gestaan onder andere in de tuin van het huidige Simke Kloostermanhûs.
Vader Ritske Wietzes was landbouwer en Jan was zijn gedoodverfde opvolger. Maar zijn interesse lag meer bij de techniek en het boerenbedrijf zat niet in zijn bloed, al probeerde hij het aanvankelijk wel.
Op 29-jarige leeftijd trouwde hij met Trijntje Jans Beintema, een boerendochter uit Westergeest. Trijntje en Jan woonden in Twijzel op de ouderlijke boerderij. Een aantal maanden later werd werd dochter Simke geboren. Ritske Wietzes verhuisde naar het door hem nieuwgebouwde renteniershuis aan de overkant van de weg. Hij overleed in 1879 en het huis dat hij gebouwd had werd later bekend als het Simke Kloostermanhûs.
Het was een openbaar geheim dat het huwelijk van Jan en Trijntje niet gelukkig was. Ze probeerden er wat van te maken, maar Jans onrust, het feit dat hij geen boer was, liever in de weer met zijn molentjes was en zich bezig hield met bloementjes en bijtjes, zal in de relatie beslist een rol hebben gespeeld. Hoewel er geld genoeg was, werd er van hem verwacht dat hij de leiding over het bedrijf nam en het naar behoren runde,maar Jan besloot anders. Hij liet het werk aan anderen over en nadat zijn vader overleed in 1879, verpachtte hij de boerderij. In 1881 verhuisden Jan, Trijntje en Simke naar de  rentenierswoning aan de overkant, maar het gezin woonde daar maar kort. In 1883 verhuisden ze naar Leeuwarden, zo gezegd voor de opleiding van Simke, die toen 7 jaar oud was, maar Jan was meer in Twijzel te vinden. Hij leefde alleen, als een soort kluizenaar in zijn eigen wereldje. Rondom het renteniershuis was een prachtige parkachtige tuin aangelegd waar Jan vrijelijk kon genieten. Hij hield van het observeren van de aanwezige flora en fauna, of zoals hij het zelf liever zei “nôt en bisten” en maakte hiervan vele gedetailleerde notities, die hij ook verwerkte in zijn gedichten. In hetzelfde jaar (1883) publiceerde hij zijn eerste gedichtenbundel “Fryske Wâldblomkes”.
In 1889 verhuisde het gezin officieel naar Groningen, maar ook dan is Jan vaak in Twijzel te vinden.
Jan en Trijntje leefden op een gegeven moment openlijk in onmin; ze hadden ieder hun eigen leven en meden elkaar zoveel mogelijk. Beiden waren dol op het kind en verwenden haar zowel met aandacht als met pracht en praal. Simke kreeg jurkjes uit Parijs en ontving de best mogelijke opvoeding voor een “meisje van stand”. Ze verbleef vanaf 1893 op verschillende kostscholen waar ze talen studeerde en muzieklessen (zang en orgel) volgde. Rond 1900 woonden Simke en haar moeder in Apeldoorn, waar de koninklijke familie residentie had. Slechts af en toe verbleef Simke in Twijzel.

Jan Ritskes was een kind van zijn tijd en gegrepen door de veranderingen die de industriële revolutie, de nieuwe mogelijkheden en de snelle ontwikkeling van de techniek met zich meebrachten. Hij was erdoor gefascineerd en bouwde molens met allerlei nieuwe technische snufjes, waarmee hij experimenteerde in de polders en de landerijen rondom Twi jzel (bemalen en afwateren in de Mieden). In 1901 kocht Jan zelfs een roggemolen in Akkerwoude uit een faillisement, waar hij ook enige tijd in woonde. In 1903 verkocht hij de molen overigens weer, maar de molen was “gered”.
In 1908 brandde de boerderij volledig af. Heel veel later bekende een voormalige dienstbode (Martje Oldenburger) op haar sterfbed dat zij de boerderij had aangestoken. Jan was er, voor zover bekend, niet rouwig om; hij bouwde de plaats ook niet weer op.

Jan Ritskes was een intellectueel; een denker/uitvinder en een filosoof. Hij hield van literatuur en poëzie en stond bekend als een man met veel kennis van zaken. In 1907 publiceerde hij zijn tweede Friestalige bundel “Finneblomkes” en in 1912, twee jaar voor zijn overlijden, volgden de “Fryske stikken”.
Zijn interesse in de natuur en de natuurlijke verschijnselen maakte dat hij veel buiten was. Hoewel hij alleen leefde en als kluizenaar werd beschreven, had hij wel sociale contacten. Met enige regelmaat kwam Jan in Burgum (Bergum) bij de uitgever van de Bergumer Courant en een aantal van zijn werken. Zo verbleef hij regelmatig in Burgum bij de gebroeders Bosgra, die een boomkwekerij hadden. Jan kon het goed met hen vinden en schreef een gedicht over De Iephof dat opgenomen is in “Finneblomkes”.
Overigens was zijn liefde voor de natuur (mede) gebaseerd op respect voor de Schepping; Jan Ritskes was een religieus man die regelmatig ter kerke ging. In de Nederlands Hervormde Kerk van Twijzel (de Oude of Sint Petruskerk) is een prachtig bewerkte herenbank te vinden, de zogenaamde “Kloostermanbank”. Jan, Trijntje, Simke en vele andere Kloostermannen hebben hierin gezeten. Dat de kerk een belangrijke rol speelde in zijn leven blijkt ook uit één van Jans langste gedichten; maar liefst 86 coupletten wijdde hij aan de aloude kerk van Twijzel.
Jan Ritskes hield van reizen en verbleef geregeld in Duitsland. Hij maakte reisverslagen die hij publiceerde in de Bergumer Courant onder andere een hele serie over Oost-Friesland.

Over de laatste periode in zijn leven is bekend dat hij aan maagkanker leed. Hij overleed thuis op 66-jarige leeftijd. Zijn laatste wens was “een rozentuin in zijn kamer” en deze werd gerealiseerd. Volgens de overlevering is hij met “de heerlijke geur van rozen in zijn neus” gestorven. Jan Ritskes werd bij zijn gliefde kerk begraven.

Jan Ritskes Kloosterman is vooral bekend geworden als de vader van schrijfster Simke Kloosterman, met wie hij een bijzondere band had. Hoewel beweerd wordt dat Jan in 1880 een buitenechtlijk kind (Pietje) had verwekt bij dienstbode Aafke Klimstra, beschouwde hij Simke als zijn enigste kind. Hij was dol op haar en deelde met haar de liefde voor de natuur en voor de literatuur. Beiden voelden zich betrokken bij de grote veranderingen van hun tijd en de gevolgen die de industriële revolutie had op de maatschappij; de klassenstrijd, de strijd tegen de (geestelijke) armoede, de opstanden en oorlogen in heel Europa. Ze voelden zich beiden sterk verbonden met hun Kloosterman-voorgeslacht en beriepen zich wat hun overtuigingen betreft ook op familietraditie. Overgroovader Jacob Binderts Kloosterman (1744-1819) had als trouw Oranje-aanhanger een aandeel in het Kollumer Oproer van 1797 gehad en door de generaties heen was de maatschappelijke betrokkenheid in stand gebleven.
Ook Jan Ritskes schuwde politiek beladen uitspraken niet. Ook hij had, zij het vanuit een luxe positie, oog voor de sociale aspecten van de nieuwerwetse industriële ontwikkelingen. Jan Ritskes had duidelijke meningen over de nieuwe wetenschappelijke benadering van de landbouw die ontstond in het kielzog van de technische vernieuwingen en stak die niet onder stoelen of banken. De ontwikkeling van de bemesting, de invoering van het stamboek en de bijbehorende vocabulaire stonden hem tegen. Niet de machines die het werk fysiek minder inspannend maakten, waren schadelijk voor de vooruitgang, maar wel de manier waarop de boerenstand nu door de wetenschappers bejegend werd.  Er zijn een aantal stukken van hem bekend waarin hij het openlijk opnam voor de  vakkennis van de boer en de waarde van oude tradities, die in zijn ogen het vaak aflegden tegen de boekenwijsheid van de wetenschap.
Zijn strijd beperkte zich niet tot het papier; van 1894 trachtte hij vergeefs de oprichting van het nieuwe waterschap De Zandsloot  tegen te gaan. Hij schreef brieven en procedeerde tot aan het Ministerie, maar verloor de strijd. Het nieuw opgerichte waterschap had tot doel de Twijzeler Mieden te ontwateren door het aanpassen van bestaande en het aanleggen van nieuwe voorzieningen volgens de nieuwste technische inzichten. Hiertoe moesten een aantal grondbezitters onteigend worden en Jan was daar één van. In 1897 werd aldus door de rechtbank besloten.
Jan had zijn eigen ideëen over het gebruik van de voormalige veengronden, de lage en natte moerasachtige gebieden; hij achtte ze uiterst geschikt voor de teelt van wilgen (wilgenteen), waarmee in andere delen van het land ook goede resultaten waren behaald. Daarbij was wilgenteelt interessant voor de werkgelegenheid in en om Twijzel. Meer dan tien jaar experimenteerde hij met de aanplant van verchillende soorten wilgen in De Mieden en in 1907 publiceerde hij hierover in De Veldbode, een  gerenommeerd “geïllustreerd weekblad voor land- en tuinbouw, pluimvee- en konijnenfokkerij en bijenteelt.”
Een ander voorbeeld van zijn moderne opvattingen is het feit dat hij zijn dochter liet studeren. Hoewel het in hun sociale kringen niet ongewoon was dat jongeren dit deden,  was Simke in die zin toch een uitzondering. Het is beslist zeer vooruitstrevend te noemen dat Jan zijn dochter die mogelijkheden bood. Intellectuele ontwikkeling, het ontwikkelen van het denken, vond hij belangrijk. Hoewel meisjes over het algemeen tot doel hadden te trouwen en (onder leiding en gezag van hun echtgenoot) een huishouding te runnen, werd Simke gestimuleerd tot zelfstandig denken en eigen keuzes maken. Daarmee werd ze in zekere zin tot onafhankelijkheid en emancipatie gestimuleerd. Aan het begin van de 20ste eeuw was dit zeker nog geen algemene denkwijze; de strijd van vrouwen om kiesrecht  stond nog in de kinderschoenen.
Jan was dus een ruimdenkende, vrije geest die het recht van vrouwen op een eigen ontwikkeling in alle opzichten steunde. Passief wellicht ten opzichte van zijn eigen vrouw, maar actief ten opzichte van zijn dochter.